Mijn naam is Ahmed

Mijn vrouw. Mijn lieve vrouw. Ik kijk naar haar, hoe ze daar ligt, hoe ze ademt, alsof niets haar ooit zou kunnen gebeuren. Haar donkere haren waaieren uit over de witte lakens. Haar wimpers bewegen even, ze zucht in haar slaap. Ik wil een zoen op haar voorhoofd drukken, maar ik houd mezelf tegen. Ik wil haar niet wakker maken.

Voorzichtig neem ik mijn kleren van de stoel in de hoek, trek ze aan en loop naar de keuken. Ik vul het koffieapparaat en druk op de knop. Een minuut later begint het apparaat te pruttelen. Ik hou van het geluid, het geluid van een nieuwe dag. Lees verder

Als lijnen in wit zand

1

Ze staren me aan alsof het van mijn gezicht te lezen valt. Een man in een smoezelige overall, waaruit een jarenlang zorgvuldig opgebouwde bierbuik puilt, en een magere man met een pet. Ze staan bij een bestelwagen die ooit wit moet zijn geweest, maar nu vijftig tinten crèmekleur en roest vertoont. Hun gesprek stokt, hun blik draait mijn richting op. De vrouw in het winkeltje komt achter haar kassa vandaan en posteert zich met gekruiste armen achter het raam. Alsof ze nog nooit een buitenlander heeft gezien.

Ik sla het portier dicht en loop om mijn auto heen. De twee mannen bij de bestelwagen hebben hun gesprek intussen voortgezet, maar ik zie hoe de dikke nog steeds elk van mijn bewegingen volgt. Ik neem het pistool uit de houder waar Gasoil boven staat en duw het in de opening van de brandstoftank. Ik probeer het haakje om het pomppistool mee vast te zetten, maar zonder succes. Terwijl de tank zich vult, kijk ik rond. Een oude Peugeot trekt op, ondertussen zwarte rookpluimen uitbrakend. Een oud vrouwtje onderbreekt haar pas en blijft, steunend op haar wandelstok, de Peugeot nakijken. Fijne druppels hechten zich vast aan het dak van mijn wagen. Ik voel hoe de eerste nattigheid me in het gezicht slaat.

De magere man stapt in de bestelwagen en rijdt weg. Ik draai me half om naar de pomp. De cijfers in het venstertje glijden in ijltempo weg, als gedachten aan een verleden waarin elektronische displays nog niet uitgevonden waren.

Een belletje weerklinkt als ik de winkel binnenstap. De vrouw achter de kassa kijkt niet op. Ze bitst in een aftands gsm-toestel dat tussen haar oor en schouder geklemd zit. ‘Demain, après-midi,’ hoor ik haar zeggen. ‘Oui, d’accord. Mais à quelle heure?

Pas als ik vlak voor de kassa sta, kijkt ze op en duwt haar kin vragend mijn richting op. ‘La une,’ zeg ik en ondersteun mijn woorden met een opgestoken wijsvinger. Ze noemt het bedrag en richt zich weer tot haar mobiele telefoon. ‘Mais non, Rachelle, ça ne va pas, alors…’

Net voor ik het portier open en in mijn auto stap, kijk ik even achterom, in de richting van het westen, mijn bestemming. De weg is vrij.