Extreem dichtbij, onnoemelijk veraf

Je tuurt uit het raam, fronst de wenkbrauwen. Beneden, aan de overkant van de straat, scheurt een brandweerwagen voorbij, daarna nog één, daarna een ambulance. Al de hele morgen kijk je op bij elke nieuwe sirene die vanuit de verte weerklinkt. Je ziet ze voorbijkomen, de brandweer- en politiewagens, geagiteerd als bijen, ziet ze over de brug verdwijnen, over het kanaal, naar links, een kluwen van straten in. Lees verder

Brussel in het ochtendlicht

Cuba Havana
Je dwaalt door de stad in koel, schuchter ochtendlicht. Een verlaten plein, de buik van een kerk, stille gevels. Hier en daar vliegt een duif op, opgeschrikt door een enkele voorbijganger. Luiken en deuren van winkels en restaurants zijn nog afgesloten. Stilte voor de storm. Je denkt aan een uitspraak van een oude schrijver, hoe de sfeer van een stad je bijblijft, hoe je ze met je meedraagt, als de gedachte aan iemands ogen, iemands wimpers. En hoe gelukkig je dat maakt.

Grijze haren

Ik tel mijn grijze haren in de spiegel. Langzaam, zodat ik er zeker geen oversla. Zeven zijn het er. Zeven al, en ik ben nog geen dertig.

Misschien klopt het wel, wat in de volksmond gezegd wordt. Dat zorgen zich vastzetten in je haar. Grijze haren als kost voor het leven. Als dat zo is, dan draag ik mijn zeven grijze haren als een ereteken. De voorbije jaren zijn verre van makkelijk geweest, maar ik ben dankbaar voor alles wat ik heb beleefd, in goede en kwade dagen, in pijn en in vreugde. Toch zijn er nog steeds momenten waarop ik twijfel, momenten waarop ik het hoofd schud, omdat ik niet zie waar mijn pad heen loopt. Lees verder

De verhalentafel

Het is laat op de avond en we zitten aan haar schrijftafel. Het is geen mastodont, met amper plaats voor vier stoelen, maar de tafel is wel ideaal geplaatst, midden in het vertrek. Literatuur als middelpunt van het leven.
Achter ons bevindt zich een volle boekenkast, daarnaast een uit de kluiten gewassen potplant.
‘Hier gebeurt het dus allemaal’, zeg ik. ‘Hier ontstaan de verhalen over Isa en haar vader.’
Ze knikt en glimlacht. ‘Exact op deze stoel, waar jij nu op zit. Met wat droevige pianomuziek, om me in de stemming te brengen.’
Ik glimlach.
‘Het is zwaar,’ zegt ze. ‘Je telkens opnieuw in te leven in je personages… Het eist emotioneel veel van je. Je draagt hun zorgen, alsof het die van jou zijn.’
‘Hoeveel van jezelf zit er in je personages?’
‘Je bedoelt of het verhaal hier en daar autobiografisch is?’
Ik knik.
‘Niet veel. Al sluipt er onvermijdelijk wel iets van jezelf in, van je eigen gedachten, je eigen emoties.’
‘Een schrijver kan de mens in zichzelf niet uitschakelen.’
Ze knikt. ‘Inderdaad.’
Even blijft het stil. Dan zegt ze: ‘Trouwens, als ik écht autobiografisch zou schrijven, zou het over heel andere dingen zijn.’
Over eindes en een nieuw begin, zo blijkt later. En over hoe goede momenten niet langer opwegen tegen de slechte, over huizen en tuinen en het verlies ervan, de angst voor een dertigste verjaardag misschien. Of over de zaak van een Armeense man die naar België kwam en een schijnhuwelijk aanging met een Belgische.
‘Acht jaar lang heeft hij bij die vrouw gewoond. En de dag nadat hij de Belgische nationaliteit had verworven, heeft hij zijn echte vrouw naar hier gehaald. Kan je je dat voorstellen, acht jaar lang van je geliefde gescheiden te zijn en op geen enkel moment contact met haar te kunnen hebben?’
‘Het lijkt bijna Liefde in Tijden van Cholera.’
‘Ja, inderdaad. Het mag eigenlijk niet, maar ik vind het zo romantisch, wat die man gedaan heeft. Ik krijg er nu nog kippenvel van.’
‘Zou eigenlijk een mooi verhaal zijn om te schrijven.’
‘Als je wil, mag jij het schrijven.’
‘Daar moet ik even over nadenken,’ zeg ik.
Ik staar naar de tafel. Het hout is al wat verweerd, donkere vlekken hebben zich erin gevormd. Op de bank in de hoek rekt een grijze kat zich uit.
Bijzondere verhalen ontstaan soms aan heel gewone tafels.