De eeuwigheid aanraken

Maanlicht en sterrenhemel boven de Franse AlpenHet was zo’n nacht waarop ik de slaap maar moeilijk kon vatten. We hadden de avond nog tot laat in de bar doorgebracht en de gesprekken die we gevoerd hadden, bleven door mijn hoofd spoken. Na een tijdje trok ik mijn kleren aan, nam mijn statief en camera en verliet de kamer. De deur viel harder in het slot dan ik verwacht had. Ik keek de gang door. Niemand. Even bleef ik staan luisteren of ik geluid bespeurde achter een van de andere deuren. Vervolgens liep ik de gang door en de trap af.

Buiten was het kil. De temperatuur was eindelijk onder het vriespunt gezakt. Ik trok de rits van mijn jas wat hoger, wikkelde de draagriem van mijn camera rond mijn pols en liep de lege straten door naar het einde van het dorp. Het was doodstil op straat. De enige beweging kwam van een groen-rood neonlicht boven één van de in chaletstijl opgetrokken winkels. Geruisloos knipperde het aan en uit, aan en uit, als een vuurtoren voor de slapelozen. Ik keek in de halfduistere etalages vol skispullen, kleding en artisanale vlees- en kaasproducten. Paspoppen staarden me met afwezige ogen aan.

Vanuit een zijstraat weerklonk het gegons van stemmen. Voor Smithy’s Tavern stond een man of dertig in groepjes op straat, pratend, grappend en rokend, een groot glas bier in de hand. Uit een van de groepjes steeg gelach op. De deur van Smithy’s ging open, stevige beats waaiden naar buiten, de kille nacht in.

Het had iets rustgevends en onwezenlijks tegelijk, de stille aanblik van een bakker in een verlicht raam, verzonken in de langzame, knedende bewegingen van zijn handen. Weg van de wereld, zoals figuren in een schilderij van Hopper.

Ik liep verder, langs het aangelegde, in de straat ingewerkte beekje. Plots vulde de geur van versgebakken brood de lucht. Ik bleef staan, op zoek naar de bron van de geur. Achter een verlicht raam stond een man in witte schort vol concentratie deeg te kneden. Achter hem waren verplaatsbare ijzeren rekken zichtbaar met platen waarop versgebakken broodjes lagen af te koelen. Vanuit het halfduister van de straat bleef ik staan kijken. Het had iets rustgevends en onwezenlijks tegelijk, de stille aanblik van een bakker in een verlicht raam, verzonken in de langzame, knedende bewegingen van zijn handen. Weg van de wereld, zoals figuren in een schilderij van Hopper.

Voor ik het wist, stond ik aan het einde van het dorp, bij de kabelbaan die bergafwaarts, naar het dal van Vénosc, leidde. Ik bleef links van de kabelbaan en liep de met hout verstevigde trappen op die langs de afgrond heen naar boven voerden. Het was een heldere nacht en de massieve, besneeuwde pieken aan de overkant glommen in het maanlicht. In de diepte ver onder me was de straatverlichting van Vénosc te zien. Twee kettingen van oranje lichtpunten, meer niet. Een lichte nevel hing over het dal, dat aan alle zijden door bergen ingesloten leek. Enkel westwaarts leek er een doorgang tussen de massieven te zijn.

Halverwege de trappen zette ik mijn statief op en schroefde mijn camera vast. Een haast buitenaardse stilte hing over de omgeving. De maan stond roerloos en vol boven de hoge, gekartelde bergruggen. Een veelheid aan sterren strekte zich uit over de hemel. De gletsjer op de brede, noordelijke wand van de Roche de la Muzelle lichtte bleekwit, haast blauwig op, zo helder dat het bijna dag leek. Schaduwen nestelden zich tussen de sneeuw- en rotspartijen, als in de plooien van een enorm, opbollend laken. Dichterbij, rechts van de Roche, glom de scherpe piek van de Aguille de Vénosc. De sneeuw lag als witte aderen over de rotsen.

Ik keek door de zoeker van de camera, stelde de diafragmaopening en sluitertijd in, stelde scherp, en drukte af. Het bliepje van de zelfontspanner begon te lopen. Het was een bevreemdend geluid midden in zoveel roerloze stilte. Ik telde de seconden af. De sluiter ontspande zich. Ik stelde de camera opnieuw in en drukte af.

Plots besefte ik het. Waar mijn slapeloosheid vandaan kwam. Niet van onze gesprekken in de bar, maar van een onbestemd verlangen naar buiten, naar deze plek, deze bergen. Ik ademde diep in. De koude prikte in mijn longen. Ik voelde me klein tegenover zoveel grootsheid, klein maar dankbaar. Ik voelde me leven, alsof ik hier en nu iets van de eeuwigheid kon aanraken. De maan schoof langzaam op aan de hemel. Een enkel wolkje dreef boven de meest westelijke bergkam. Mijn vingers waren stilaan verkrampt van de koude. Ik keek op mijn horloge. Kwart na vier. Tijd om terug te keren. Er waren nog heel wat hellingen waar ik de volgende ochtend van af wilde skiën.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s