De schoenen van Balotelli

Voor het wedstrijdje staan Balotelli en ik even alleen op het veld. ‘Heb je toevallig geen extra paar sportschoenen bij,’ vraagt hij. Hij toont me zijn schoenen. Door de zool van de ene loopt een diepe scheur. In de zijkant van de andere zit een gat waar je haast een vinger door kan prikken. 

Ik schud het hoofd. ‘Lo siento, hombre. Ik heb geen ander paar bij me.’

Hij bijt op zijn lip en wuift zijn vraag weg. ‘No problema.

Dan komen de andere animatoren van het hotel het oude, in rood beton aangelegde sportveldje op. Het partijtje voetbal begint en ik begrijp alweer waarom Balotelli’s collega’s hem zo noemen. Niet alleen lijkt hij, qua gestalte en gelaat, bijzonder hard op de Italiaanse topspits. Hij beweegt haast even lenig. Maar er is geen kans dat hij ooit nog maar een honderdste zal verdienen van wat de echte Balo verdient. Dat is nu eenmaal de prijs van op Cuba geboren te worden.

Onwillekeurig denk ik terug aan wat ik een week eerder in Havana heb gezien. Teresa, onze gids, nam ons mee naar de volksbuurten van de stad. ‘Het echte Havana’, noemde ze het. En dat Havana bleken armoedige, verloederde huizen en straten te zijn, met afbladderende gevels, vaak zwartgeblakerd van de petroleumdampen die uit de oldtimers opstijgen. Mensen zitten, staan of hangen in deuropeningen, tegen portieken, op dorpels, zonder dat ze iets omhanden hebben.

Cuba Castro

Cuba is een land dat tot stilstand is gekomen. En, ondanks alle goede bedoelingen van het regime (gratis voedselbonnen, gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs), betekent ‘stilstaan’ ook daar ‘achteruitgaan’. Het privé-initiatief, de motor achter de economie, is door de staat tot een minimum herleid en zelfs de wat ambitieuzere overheidsprojecten lijken gedoemd om in de soep te draaien. Op de weg van Havana naar Trinidad kwamen we om de paar kilometer langs grote buildings in geblokte jaren ’70-stijl, die recht uit de Sovjetunie geïmporteerd leken en vervolgens zomaar midden in het Cubaanse platteland gedropt. In veel kozijnen zaten al jaren geen ramen meer en op de twee identieke basketveldjes voor het gebouw had vast al lang geen bal meer gerold. Ondanks de zon bood het geheel een door-en-door troosteloze aanblik, alsof we door oorlogsgebied reden, alsof de hele regio nog maar net een bombardement had meegemaakt. Later hoorden we dat de buildings scholen waren, internaten waar de jeugd leerde dat op het land werken plezant én ook nog eens nuttig voor de economie kon zijn. Alleen spijtig dat de kinderen meer opaten dan dat ze eigenlijk produceerden.

Zo blijft Cuba een land van het eeuwige ‘net niet’. Zelfs wat in Havana het pronkstuk van het regime zou moeten zijn, het Museum van de Revolutie, zag er bij nadere inspectie vervallen uit. ‘De oudere generaties kijken met weemoed terug op de tijd vóór de Revolutie’, zei Teresa. ‘Ook al wemelde het toen van de goktenten, maffia en prostitutie, in de jaren vijftig was dit een bloeiende, rijke stad.’

Radertjes

Toch is het niet alleen kommer en kwel in Cuba. In al hun – relatieve – armoede, zijn de mensen er niet ongelukkig. Ze dansen en zingen, maken samen muziek, slaan een praatje met al wie maar praten wil. Ze hebben elkaar en maken er het beste van. Veel Cubanen weten ook niet beter dan hun huidige situatie. Alleen mensen als Teresa of Balotelli, die vaak in contact komen met toeristen, weten hoe het eraan toegaat in de rest van de wereld. Maar ook zij proberen het leven te nemen zoals het zich aanbiedt, zonnig en warm.

In zekere zin zou je zelfs kunnen zeggen dat de Cubanen vrijer en gelukkiger zijn dan wij, rijke, westerse mensen. In een communistisch regime als dat van de Castro’s, dat ondernemingszin en persoonlijke eigenheid liefst zoveel mogelijk uitvlakt, wil dat veel zeggen. Onze rijkdom maakt ons er echt niet gelukkiger op, integendeel. Wie kan er met de hand op het hart zeggen: ik heb nog nooit een steek van jaloezie gevoeld toen mijn buurman me zijn nieuwe wagen, smartphone of homecinema showde? De democratie en de vrijemarkteconomie hebben ons slaven gemaakt van ons eigen systeem. Buigen of barsten, daar komt het op neer. Meelopen moeten we, als radertjes in het consumptiemechanisme. Zoniet worden we genadeloos aan de kant geschoven. De menselijkheid van Cuba is ver te zoeken.

Balo komt alleen voor doel en mist. Hij lacht zijn witte tanden bloot, giert het uit van de pret. De gaten in zijn schoenen is hij al lang vergeten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s