Grijze haren

Ik tel mijn grijze haren in de spiegel. Langzaam, zodat ik er zeker geen oversla. Zeven zijn het er. Zeven al, en ik ben nog geen dertig.

Misschien klopt het wel, wat in de volksmond gezegd wordt. Dat zorgen zich vastzetten in je haar. Grijze haren als kost voor het leven. Als dat zo is, dan draag ik mijn zeven grijze haren als een ereteken. De voorbije jaren zijn verre van makkelijk geweest, maar ik ben dankbaar voor alles wat ik heb beleefd, in goede en kwade dagen, in pijn en in vreugde. Toch zijn er nog steeds momenten waarop ik twijfel, momenten waarop ik het hoofd schud, omdat ik niet zie waar mijn pad heen loopt.

Ik denk aan hem, mijn vader, hier, staand voor de spiegel, aan hoe hij was, op ongeveer mijn leeftijd. Hetzelfde aantal grijze haren misschien, dezelfde lichte groeven in het voorhoofd. Geen mens die zeker weet wat er in dat hoofd van ons omgaat, behalve wijzelf. We take matters of the heart inside, hij en ik. Die neiging hebben we allebei, als opkroppers van het eerste uur. We gaan door, kijken niet om, tenzij om te zien wat goed was. Soms ook om te zien wat niet zo goed was, dat moeten we allebei durven toegeven. Het is moeilijk leven met spijt, maar het gaat.

Ik recht de rug. Blauwe ogen staren me vanaf de spiegel aan. Geen bruine, als die van mijn vader, maar blauwe, mysterieuze ogen. Als mist over een rimpelloos ochtendmeer. Ik herinner me dat iemand me, nog niet zo lang geleden, zei dat ze er geen genoeg van kon krijgen. Ze vond het jammer dat ze mijn ogen niet kon bestuderen in het schemerduister, of als de afstand tussen ons te groot was om welke kleur dan ook te zien.

We zaten in haar auto, in de stilte van een herfstavond. Regen kletterde op het dak, druppels wiegden over de ruit. Het licht van een straatlantaarn weerkaatste de druppels van de ruit op haar gezicht. Alsof het tranen waren, tranen van oranje fosfor. Ik wou dat het moment nooit was overgegaan. Misschien keert het terug, binnenkort. Er is nog niets verloren.

En nu ik hier sta en dit allemaal overpeins, vraag ik me af of ook hij soms nadenkt over de loop van een leven, over keuzes en richtingen en of hij het soms anders had moeten of kunnen aanpakken. Ik vraag me af of hij nadenkt over de liefde en hoe ze mettertijd ontegensprekelijk verandert. Of hij terugdenkt aan hoe het voelde om verliefd te zijn, hoe hij er zich nog meer man door voelde, hoe het was om haar in zijn armen te houden en te weten dat hij haar beschermen wou, een eeuwigheid lang.

Ik vraag me af of hij soms ook stil blijft staan en vol verwondering opkijkt naar de vlucht van een vogel, de zon in de wolken, de condensstrepen van een vliegtuig in een helderblauwe lucht, op weg naar morgen. En of hij daarbij huilt, onder het licht in de bomen, heel stil, zonder geluid, verbluft door de ondraaglijke schoonheid van het leven.

 

Ik laat een hand over mijn gezicht glijden, wrijf de vermoeidheid uit mijn wangen. De stoppelbaard van drie dagen voelt al bijna glad.

Als hij kon, zou hij hem misschien afscheren, die stoppelbaard. Terwijl hij zelf al dertig jaar een baard draagt. Een volle baard zelfs, geen halfslachtig laagje op jonge huid. Wat begon als een weddenschap, is uitgegroeid tot zowat een handelsmerk van hem. Het geeft hem aanzien, standing, gezag. Als leerkracht kan je dat gebruiken.

Ook ik heb hem nooit zonder baard gezien. En nu ik eraan denk, ook nooit zonder grijze haren.

Misschien is het door mij dat hij zo grijs is geworden.

Ik ben niet altijd de gemakkelijkste zoon geweest, ben het wellicht nog steeds niet. Neus aan neus hebben we gestaan, over vrij banale kwesties, de ene nog banaler dan de andere. Het is het gemeenschappelijke lot van een vader en een zoon: dat er breuklijnen ontstaan die hen uit elkaar drijven, die hen dwingen om elkaar wat los te laten. Maar ook continenten drijven uiteindelijk weer naar elkaar toe.

Ik draai de kraan open en duw mijn twee handen eronder, als een kommetje. Ik laat het water in mijn gezicht spatten. Het voelt goed, fris, als zonlicht op een lenteochtend. Ik ril. Wat later trek ik mijn kleren aan, knip het badkamerlicht uit en loop naar mijn schrijftafel.

Ik blader door wat oude foto’s van mijn vader. Veel zwart-witfoto’s zijn het, met kartelranden, zoals gebruikelijk in die tijd. Als kind op schoot bij moeder. Op schoolreis, met vrienden. Als leider bij de jeugdbeweging. Dan stoot ik op een ietwat vergeeld beeld. Mijn vader ligt op een luchtmatras, aan de rand van het gras. Hij draagt een hemd met korte mouwen, maar zon is er niet te zien. Mijn vader steekt een kind in de lucht, een baby nog maar. Mijn oudste zus, merk ik. Mijn vader lacht, en aan het gezicht van mijn zus te zien, kirt ze van de pret. Plots bedenk ik hoe het moet voelen om zoiets kleins vast te houden en te weten dat het jouw vlees en bloed is, jouw hart en ziel. Ik hoop dat ik ook ooit een zoon heb, een zoon en een dochter, en dat ik hen net zo in de lucht kan steken. Dat ik mijn zoon kan leren voetballen, hem kan laten winnen, bij eindeloze partijtjes in de tuin. Dat ik met hem kan gaan sleeën, in een ijskoud sneeuwlandschap, heuvels op, heuvels af. Of hem ondersteunen tijdens een wandeling op een gletsjer, zijn kleine lijfje behoeden voor een val op het ijs.

En misschien staan we jaren later boven op een bergtop, aan een observatorium, en kijken we uit over de wereld. Misschien slaat hij dan een arm om mijn schouder en zegt: ‘Dat hebben we goed gedaan, hé.’ Vaders en zonen, ze blijven altijd voorbeelden voor elkaar.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s