Extreem dichtbij, onnoemelijk veraf

Je tuurt uit het raam, fronst de wenkbrauwen. Beneden, aan de overkant van de straat, scheurt een brandweerwagen voorbij, daarna nog één, daarna een ambulance. Al de hele morgen kijk je op bij elke nieuwe sirene die vanuit de verte weerklinkt. Je ziet ze voorbijkomen, de brandweer- en politiewagens, geagiteerd als bijen, ziet ze over de brug verdwijnen, over het kanaal, naar links, een kluwen van straten in. Lees verder

Brussel in het ochtendlicht

Cuba Havana
Je dwaalt door de stad in koel, schuchter ochtendlicht. Een verlaten plein, de buik van een kerk, stille gevels. Hier en daar vliegt een duif op, opgeschrikt door een enkele voorbijganger. Luiken en deuren van winkels en restaurants zijn nog afgesloten. Stilte voor de storm. Je denkt aan een uitspraak van een oude schrijver, hoe de sfeer van een stad je bijblijft, hoe je ze met je meedraagt, als de gedachte aan iemands ogen, iemands wimpers. En hoe gelukkig je dat maakt.

Mijn naam is Ahmed

Mijn vrouw. Mijn lieve vrouw. Ik kijk naar haar, hoe ze daar ligt, hoe ze ademt, alsof niets haar ooit zou kunnen gebeuren. Haar donkere haren waaieren uit over de witte lakens. Haar wimpers bewegen even, ze zucht in haar slaap. Ik wil een zoen op haar voorhoofd drukken, maar ik houd mezelf tegen. Ik wil haar niet wakker maken.

Voorzichtig neem ik mijn kleren van de stoel in de hoek, trek ze aan en loop naar de keuken. Ik vul het koffieapparaat en druk op de knop. Een minuut later begint het apparaat te pruttelen. Ik hou van het geluid, het geluid van een nieuwe dag. Lees verder

Grijze haren

Ik tel mijn grijze haren in de spiegel. Langzaam, zodat ik er zeker geen oversla. Zeven zijn het er. Zeven al, en ik ben nog geen dertig.

Misschien klopt het wel, wat in de volksmond gezegd wordt. Dat zorgen zich vastzetten in je haar. Grijze haren als kost voor het leven. Als dat zo is, dan draag ik mijn zeven grijze haren als een ereteken. De voorbije jaren zijn verre van makkelijk geweest, maar ik ben dankbaar voor alles wat ik heb beleefd, in goede en kwade dagen, in pijn en in vreugde. Toch zijn er nog steeds momenten waarop ik twijfel, momenten waarop ik het hoofd schud, omdat ik niet zie waar mijn pad heen loopt. Lees verder

Als lijnen in wit zand

1

Ze staren me aan alsof het van mijn gezicht te lezen valt. Een man in een smoezelige overall, waaruit een jarenlang zorgvuldig opgebouwde bierbuik puilt, en een magere man met een pet. Ze staan bij een bestelwagen die ooit wit moet zijn geweest, maar nu vijftig tinten crèmekleur en roest vertoont. Hun gesprek stokt, hun blik draait mijn richting op. De vrouw in het winkeltje komt achter haar kassa vandaan en posteert zich met gekruiste armen achter het raam. Alsof ze nog nooit een buitenlander heeft gezien.

Ik sla het portier dicht en loop om mijn auto heen. De twee mannen bij de bestelwagen hebben hun gesprek intussen voortgezet, maar ik zie hoe de dikke nog steeds elk van mijn bewegingen volgt. Ik neem het pistool uit de houder waar Gasoil boven staat en duw het in de opening van de brandstoftank. Ik probeer het haakje om het pomppistool mee vast te zetten, maar zonder succes. Terwijl de tank zich vult, kijk ik rond. Een oude Peugeot trekt op, ondertussen zwarte rookpluimen uitbrakend. Een oud vrouwtje onderbreekt haar pas en blijft, steunend op haar wandelstok, de Peugeot nakijken. Fijne druppels hechten zich vast aan het dak van mijn wagen. Ik voel hoe de eerste nattigheid me in het gezicht slaat.

De magere man stapt in de bestelwagen en rijdt weg. Ik draai me half om naar de pomp. De cijfers in het venstertje glijden in ijltempo weg, als gedachten aan een verleden waarin elektronische displays nog niet uitgevonden waren.

Een belletje weerklinkt als ik de winkel binnenstap. De vrouw achter de kassa kijkt niet op. Ze bitst in een aftands gsm-toestel dat tussen haar oor en schouder geklemd zit. ‘Demain, après-midi,’ hoor ik haar zeggen. ‘Oui, d’accord. Mais à quelle heure?

Pas als ik vlak voor de kassa sta, kijkt ze op en duwt haar kin vragend mijn richting op. ‘La une,’ zeg ik en ondersteun mijn woorden met een opgestoken wijsvinger. Ze noemt het bedrag en richt zich weer tot haar mobiele telefoon. ‘Mais non, Rachelle, ça ne va pas, alors…’

Net voor ik het portier open en in mijn auto stap, kijk ik even achterom, in de richting van het westen, mijn bestemming. De weg is vrij.